Hoe drie kenniscentra voor cultuuronderwijs te werk gaan

In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag bestaan sinds enige jaren kenniscentra voor cultuuronderwijs. Ze zijn in het leven geroepen als verbindende schakel tussen scholen enerzijds en anderzijds een veelheid van dans- en theatergezelschappen, musea, beeldend kunstenaars, bands en orkesten. Dit met de bedoeling om het cultuuronderwijs in hun stad op een hoger plan te brengen. Tot voor kort was cultuureducatie een zaak tussen deze partijen onderling. Nu, na jarenlange praktijkervaring, is het goed om de kenniscentra onder de loep te nemen en te bekijken wat ze hebben bereikt. 

Muziekles, toneel of handenarbeid werden tot pakweg dertig jaar geleden op basisscholen veelal door vakleerkrachten gegeven. In die tijd was de handwerkjuf of blokfluitleraar een vanzelfsprekende verschijning in de klas. Totdat de meeste scholen eind jaren tachtig hun accenten verschoven richting beter presteren in taal en rekenen. Kunst- en cultuurvakken verdwenen daarmee naar de periferie van het schoolaanbod. Scholen die cultuuronderwijs wilden geven, konden dit het beste op projectbasis inkopen bij musea, theaterinstellingen of zelfstandige kunstenaars, die hier veelal door de overheid gesubsidieerde lessen voor ontwikkelden. Deze lessen betekenden doorgaans leuke, inspirerende ervaringen voor de leerlingen. Maar ze gingen niet uit van de onderwijsbehoefte van de school. Daarmee kwamen ze in het hele lesaanbod nogal geïsoleerd te staan. En dat terwijl er zoveel meer mogelijk blijkt.

speciaal onderwij spilot drostenburg

Pilot speciaal onderwijs. Drostenburg met de Cultuurbus naar het Rijksmuseum. Foto: Ada Nieuwendijk


Fundament
Diverse onderzoeken hebben uitgewezen dat cultuuronderwijs een belangrijke bijdrage levert aan de brede ontwikkeling van kinderen. Wanneer ze goed zijn ingebed in het schoolcurriculum werpen lessen in theater, dans, beeldende vorming, erfgoed of muziek ook hun vruchten af op het gebied van taal, rekenen en de zaakvakken. Kinderen leren hun emoties – en die van anderen – beter begrijpen en krijgen meer zicht op hun identiteit. Ook de ontwikkeling van burgerschap en de zogeheten 21st century skills zijn met goed cultuuronderwijs gediend. Ieder kind in Nederland moet via school in aanraking komen met kunst en cultuur, zei de minister van onderwijs vorig jaar dan ook. Om daaraan toe te voegen: niet bij wijze van franje, maar als fundament.

Deze inzichten maakten dat Amsterdam, Rotterdam en Den Haag ervoor kozen om cultuureducatie gemeentebreed beter in de steigers te zetten. Cultuuronderwijs was inmiddels voornamelijk een zaak tussen scholen en talloze, vaak door gemeente en Rijk gesubsidieerde aanbieders en niemand hield nog overzicht over het geheel. Deze aanbieders gaven de scholen ook advies. Maar omdat men van WC-eend al gauw WC-eend adviseert, werd het tijd om een onafhankelijke, neutrale partij in het leven te roepen. Tegen deze achtergrond ontstonden de drie kennis- of expertisecentra in kunsteducatie. In Amsterdam werd in 2005 Mocca opgericht, in 2013 ontstond in Den Haag Cultuurschakel, en in 2014 verzelfstandigde Rotterdam het Kenniscentrum Cultuureducatie Rotterdam (KCR).


Zelfstandig
Elk van deze kenniscentra beweegt zich in een drukbezet veld van klanten en stakeholders: scholen, schoolbesturen, culturele instellingen, zelfstandige kunstenaars en vakdocenten, gemeente, het Rijk. Alle drie hebben ze een vergelijkbare opdracht meegekregen. Ze moeten ervoor zorgen dat cultuureducatie in hun stad op een hoger plan komt. Belangrijke voorwaarde is dat daarbij wordt uitgegaan van de wensen en behoeften van de school. Dat laatste lijkt misschien vanzelfsprekend, maar is om meerdere redenen een uitdaging. Op de eerste plaats omdat er inmiddels een praktijk bestaat waarin culturele instellingen en vakdocenten in muziek, dans, erfgoed, theater of beeldende vorming zelfstandig hun weg naar scholen zoeken – en vaak ook vinden.

Heeft het museum een nieuwe expositie, of het theatergezelschap een nieuwe voorstelling, dan is het aantrekkelijk om daar een lespakket voor scholen aan te koppelen. Hiermee komt de betreffende aanbieder opnieuw onder de aandacht en krijgen de bezoekersaantallen, die belangrijk zijn voor subsidieverstrekking, een nieuwe impuls. Voor kunstenaars of culturele instellingen is het van nature gebruikelijk om uit te gaan van hun eigen aanbod, dat ze graag aan publiek willen tonen of laten horen. Starten vanuit de behoefte van dat publiek – in dit geval het onderwijs – is minder vertrouwd en vraagt niets minder dan een ommezwaai in het denken, die niet van de ene dag op de andere is gerealiseerd.

KCR, Kunst zaaien, kansen oogsten Fotograaf: Herman Engbers

Nieuwe folders
Een andere uitdaging ligt bij het onderwijs zelf. Want wat is nu eigenlijk hun behoefte als het gaat om cultuureducatie? Scholen hebben al decennia lang hun handen vol aan allerlei regelmatig veranderende regels en taken. Dit, gevoegd bij het feit dat ze cultuuronderwijs sinds geruime tijd uitbesteden, maakt dat ze vaak nog weinig zicht hebben op die behoefte. Vanuit praktisch oogpunt komt het niet slecht uit dat culturele instellingen het lesaanbod voor ze bedenken, al is het soms vervelend dat er een onmiskenbaar overaanbod is en ze voortdurend worden ‘gespamd’ met nieuwe folders. Bovendien ontluikt het besef dat er met cultuuronderwijs nog vele onbenutte mogelijkheden in het verschiet liggen.

In dit krachtenveld moeten de drie kenniscentra voor cultuuronderwijs, als relatieve nieuwkomers, aan beide partijen hun meerwaarde laten zien, willen ze hun opdracht goed kunnen vervullen. Dat blijken ze in de eerste plaats te doen door een sterke gerichtheid op het onderwijs. Zo werkt Cultuurschakel richting scholen met zogeheten cultuurcoaches, KCR met consultenten en Mocca spreekt van accountmanagers. Naast onderlinge verschillen hebben deze als overeenkomst dat ze een duurzame relatie met de school aangaan. Ze adviseren, begeleiden en stimuleren directie, leerkrachten en Interne Cultuur Coördinatoren. Dit gebeurt enerzijds op een praktische manier, door als het ware naast ze te gaan staan. Tegelijkertijd proberen ze de school juist uit te dagen en boven de waan van de dag uit te tillen. Zo helpen ze met het formuleren van visie en beleidsplannen, met het invoeren van lange leerlijnen en het verankeren van cultuuronderwijs op organisatorisch, financieel en inhoudelijk niveau.

 

Wauw-effect
Een sterk punt van cultuuronderwijs is dat het kinderen ervaringen met een ‘wauw-effect’ kan bieden, die vaak lang doorwerken. Maar daarvoor moeten die kinderen wel met een concert, voorstelling of expositie in aanraking komen. De drie kenniscentra doen dit, ieder op hun eigen manier, door het stedelijk cultureel basisaanbod voor scholen zo goed mogelijk in kaart te brengen en onder de aandacht van scholen te krijgen. De mate van organisatie daaromheen varieert. KCR stelt, in de vorm van het Cultuurtraject Rotterdam, een jaarlijks keuzemenu voor scholen samen. Een soort Spotify op het vlak van cultuuronderwijs, dat in overleg met de culturele instellingen wordt samengesteld.

Met het Cultuurtraject Rotterdam bestaat er voor de culturele instellingen van de stad een soort centrale verkooporganisatie op het gebied van cultuuronderwijs. Die maakt het ook voor scholen gemakkelijker om met cultuureducatie te werken. In de loop naar 2020 wil KCR dit Cultuurtraject verder ontwikkelen en uitbreiden tot een speciaal Rotterdams cultuureducatiemodel. Cultuurschakel in Den Haag heeft een soortgelijk jaarlijks planningssysteem. Hierbij kunnen scholen direct zien wat de culturele excursie hen kost en welke subsidie ze kunnen krijgen. Een belangrijke succesfactor blijkt het organiseren van vervoer van en naar het betreffende uitstapje. Wordt dit scholen uit handen genomen, zoals in Amsterdam en Den Haag, dan werkt dit drempelverlagend.

Bezoek aan het Mauritshuis, CultuurSchakel

Coalities
Richting culturele instellingen, vakdocenten en kunstenaars is ondersteunen en professionaliseren een belangrijke taak van de kenniscentra. Zo stellen ze hun kennis en expertise wat betreft de nieuwste ontwikkelingen op onderwijsgebied beschikbaar. Maar ook brengen ze culturele aanbieders in contact met mensen uit het onderwijs en faciliteren ze de broodnodige onderlinge dialoog. Het gevaar bestaat dat culturele instellingen de activiteiten van de kenniscentra teveel zien als verlengstuk van hun eigen marketing. De omslag waar ze daarentegen voor staan, is het denken over cultuureducatie op stadbreed niveau. Als ze ieder voor zich scholen met hun eigen programma blijven benaderen, is de totale impact van cultuuronderwijs in de stad minder dan mogelijk. Daarom werken de kenniscentra aan het vormen van allianties of coalities van verschillende culturele instellingen die op hetzelfde thema werken. Een voorbeeld daarvan is de Erfgoedcoalitie Rotterdam, waarbij vijf musea met hulp van KCR de leerlijn ‘Ik in 010’ ontwikkelden.

Door de oogharen naar het opereren van de drie kenniscentra kijkend, springen eerder de overeenkomsten in het oog dan de verschillen – al zijn die er op gedetailleerder niveau onmiskenbaar. Maar, hoewel ook hun ontstaansgeschiedenis vergelijkbaar is, zijn er in de stedelijke context wel duidelijke verschillen. De Amsterdamse situatie kenmerkt zich, met zo’n veertig musea en dertig theaters, door het grote aanbod van cultuur in de stad. De gemeente stimuleerde alle Kunstenplan-instellingen om zich eveneens te richten op cultuuronderwijs, met als gevolg: een cultuureducatieaanbod dat de mogelijke vraag vele malen overstijgt.

 

Bundeling
Volgens Mocca zien culturele instellingen inmiddels in dat de wal het schip keert. Ze zijn meer bereid om onderling af te stemmen en te kijken naar een bundeling van hun marketinginspanningen. Dat is een belangrijke eerste stap. De volgende stap is: meer in gezamenlijkheid komen tot educatieaanbod en dit in dialoog met het onderwijs laten ontstaan. Mocca ziet het vervolgens als taak om scholen goed inzicht te geven in wie welk aanbod brengt. In Amsterdam is gekozen voor convenanten met schoolbesturen, een regierol voor de school en extra geld en inhoudelijke advisering om dat uit te voeren.

De start van Cultuurschakel in Den Haag viel samen met de geboorte van het Haagse ‘Deltaplan Cultuureducatie’ in 2013. Hierin sloegen de wethouder van cultuur en die van onderwijs de handen ineen. Dat betekent dat de gemeente cultuureducatie tot op beleidsniveau zowel vanuit het perspectief van onderwijsontwikkeling als van cultuurparticipatie beziet. Volgens Cultuurschakel brengt dit voordelen met zich mee, bijvoorbeeld doordat scholen extra gemeentelijke subsidie voor hun culturele activiteiten kunnen aanvragen via het Onderwijsloket van de gemeente. Dit is een bekend en dus laagdrempelig loket voor ze.

 

Stimulans
In 2013 sloot de gemeente direct convenanten af met alle Haagse schoolbesturen. Die verbonden zich daarmee aan het ontwikkelen van beter cultuuronderwijs op hun scholen. Daarbij subsidieert de gemeente scholen met een bedrag per leerling wanneer ze voorstellingen, concerten of exposities bezoeken. Dit blijkt een belangrijke stimulans voor scholen om met hun leerlingen cultuur te gaan snuiven. Al met al lijkt het erop dat Cultuurschakel met het Deltaplan Cultuuronderwijs als het ware meteen de wind in de zeilen kreeg.

Dit is anders dan de situatie in Rotterdam, waar cultuureducatie alleen onder de wethouder van cultuur valt. Dit vraagt volgens KCR soms extra inspanning om in beeld te blijven bij de gemeentelijke dienst die het onderwijsbeleid maakt. Dat is jammer, want onderwijsbeleid dat een brede ontwikkeling van kinderen voorstaat, biedt cultuureducatie nu eenmaal een vruchtbaarder ondergrond. Cultuuronderwijs lijkt hier het meest te worden belegd op schoolniveau, in het samenspel tussen leerkrachten en kunstenaars. Een goed voorbeeld daarvan is het succesvolle programma ‘Ateliers in school’.

 

Pionieren
In Rotterdam zijn volgens KCR de scholen zelf de grote motor voor het inbedden van cultuureducatie. Dit heeft als voordeel dat nieuwe cultuuronderwijsvormen uit de praktijk voortkomen. Na de soms harde toets van de realiteit ontwikkelen die vormen zich bottom-up naar de beleidsmakers. Misschien is dit ook niet verwonderlijk, in een ‘geen-woorden-maar-daden-stad’. Als nadeel van de Rotterdamse situatie ziet KCR het vele ‘veldwerk’ dat moet worden gedaan. Een goede balans tussen veldwerk van onderaf en regie van bovenaf is belangrijk voor het verbeteren van  cultuuronderwijs in de stad. Bij teveel regie valt er mogelijk meer weerstand te verwachten. Bij te weinig regie kan veldwerk haast ongemerkt overgaan in moeizaam pionieren.

Het lijkt haast wel zo te gaan: hoe beter de kenniscentra hun werk doen, hoe minder ze opvallen. Hoe beter de resultaten zijn, hoe minder die aan hen worden toegeschreven. Dat is niet vreemd wanneer de essentie van je werk is dat je op de achtergrond faciliteert, ondersteunt, communiceert, organiseert en allianties smeedt. Maar hoe kijken de drie kenniscentra nu zelf aan tegen hun toegevoegde waarde?

 

Toekomst
KCR vindt de stedelijke infrastructuur waarvan het deel uitmaakt nog te kort bestaan om stadbrede ontwikkelingen op het gebied van cultuuronderwijs aan te kunnen wijzen. Maar tegelijkertijd ziet het genoeg inspirerende voorbeelden waar cultuureducatie op school- of projectniveau staat als een huis en niet door een verandering van de wind kan worden weggeblazen. Ook Cultuurschakel meent te kort operationeel te zijn om echt op stedelijke resultaten te kunnen worden beoordeeld. Maar er is een stijgend aantal scholen met een cultuurplan en met door Cultuurschakel opgeleide Interne Cultuur Coördinatoren. Daarnaast spreekt ook de toenemende betrokkenheid van scholen en schoolbesturen bij cultuuronderwijs voor zich.

Mocca kijkt grotendeels met tevredenheid naar wat in de afgelopen twaalf jaar in Amsterdam teweeg is gebracht, maar ziet vooral ook de uitdagingen in de nabije toekomst. Cultuuronderwijs moet nog beter gaan aansluiten bij wat in de stad leeft. Identiteit, cultuur, religie en burgerschap zijn daarbij de leidende thema’s. Alle kinderen, uit alle wijken, moeten zich beter in de programma’s, de communicatie er omheen en de hele uitstraling van cultuureducatie kunnen herkennen, zegt Mocca.

 

    Cultuurschakel     KCR